Zwarte bij

Zwarte bij? Euh, wat is dat?

Iedereen kent de honingbij (Apis mellifera), maar eigenlijk bestaan er maar liefst 27 verschillende varianten van dit wonderbaarlijke beestje. Toen de honingbij miljoenen jaren geleden vanuit Azië naar Europa, het Midden-Oosten en Afrika migreerde, werd ze geconfronteerd met nieuwe gebieden met een heel brede waaier aan omgevingscondities. Ecologische processen zoals natuurlijke selectie en evolutie deden zo 27 ondersoorten ontstaan van de honingbij, elk aangepast aan haar eigen leefgebied.

De ondersoort die zich hier bij ons ontwikkelde was de zwarte bij (Apis mellifera mellifera) of ook donkere bij genoemd. Haar natuurlijke leefgebied strekt zich uit van de Franse Pyreneeën tot Scandinavië en van de Britse eilanden tot het Oeralgebergte, een immens territorium waarbinnen meerdere ecotypes tot stand kwamen.

Rijkelijke voedselkransen van bijenbrood (gefermenteerd stuifmeel) en honing omheen het broednest

De zwarte bij onderscheidt zich op vlak van gedrag van de andere (Europese) ondersoorten doordat ze steeds een ruime voorraad honing en stuifmeel in het nest aanlegt waarmee ze erg spaarzaam is; ze een zeer sterke neiging tot propoliseren heeft; ze in het voorjaar langzaam aan volksopbouw doet; ze reeds vroeg in de nazomer stopt met broed aanzetten; ze heel compact in kleine trossen koude winters kunnen trotseren en ze eveneens foerageert bij koud, nat, winderig weer.

Van doodgewoon naar superzeldzaam

Tot halverwege de 19de eeuw bleef de spreiding van de Europese ondersoorten ongewijzigd. Nadien kwam daar in exponentieel tempo verandering in. Zo kwam de internationale handel in bijenvolken en koninginnen op gang. In zuidelijk Europa paste men op dat moment reeds enige tijd selectie toe op bijenvolken om hen zachtaardiger en productiever te maken. In de noordelijke contreien had men daar wel oren naar, want als de bijenvolken er mee voor moeten zorgen dat er brood op de plank komt, hoe kan men dan tegen productievere honingbijen zijn?

En zo geschiedde. Tijdens de eerste importgolf (jaren ’20 – ’50) werd hoofdzakelijk de Italiaanse bij (Apis mellifera ligustica) binnengehaald. Deze ondersoort had een uitmuntende productiviteit, maar is nooit een succes geworden omdat ze een hoog voedselverbruik had en slecht overweg kon met de strenge winters. Nadien (jaren 60′ – ’80) volgde een tweede importgolf waarbij werd ingezet op de Krainerbij (Apis mellifera carnica), ook Carnicabij genoemd. Oorspronkelijk komt ze uit de Balkanregio, maar na de ‘Anschluss’ werd de Krainerbij opgenomen in selectieprogramma’s van het Nazi-Regime die ook na WOII verdergezet werden. Dat resulteerde in de ‘Duitse’ Carnicabij die zeer populair werd – en nog steeds is – in grote delen van Noordwest- en Centraal-Europa. Later kwam daar nog de Buckfastbij1 bij.

Links: Italiaanse bij / Rechts: Krainerbij

De zwarte bij verdween zo in eerste instantie doordat imkers haar letterlijk vervingen door geïmporteerde uitheemse honingbijen. Maar zwarte bijen van imkers die niet importeerden, waren op de meeste plaatsen evenzeer de pineut: zij verdwenen als gevolg van genetische vervuiling. Deze ondersoorten kunnen namelijk met elkaar paren: een inheemse zwarte koningin kan bijvoorbeeld bevrucht worden Carnica-darren waardoor haar werksters en dochterkoninginnen gehybridiseerd zullen zijn, het genetisch erfgoed gaat zo verloren. Op die manier evolueerde de status van de zwarte bij van doodgewoon naar superzeldzaam. In de Benelux bleven tot vandaag slechts 3 originele populaties overeind: Chimay (BE), Texel (NL) en Terschelling (NL).

Vanwaar onze keuze voor de zwarte bij?

De keuze voor de zwarte bij was aanvankelijk verre van evident. In de starterscursus (2009) liet ieder lesgever die ernaar gevraagd werd zich duidelijk negatief uit over de zwarte bij. Volgens hen ontwikkelden de bijenvolken niet goed, waren ze erg gevoelig voor ziektes, waren ze zeer agressief, … Kortom, men bleef er best zo ver mogelijk vandaan. Al was dat volgens de meeste lesgevers niet zo moeilijk, want de zwarte bij bestond volgens hen gewoonweg niet meer.

Zo snel gaven we echter niet op. Gedreven door passie voor ecologie en biodiversiteitsbehoud zochten we verder om vervolgens te botsen op de vzw Mellifica, een bijenteeltassociatie uit Chimay die er het voortbestaan van de lokale zwarte bij behartigt via een kweekprogramma. In 2012 konden we via hen zwarte koninginnen aankopen om de proef op de som te nemen. Zo waren we de eersten om terug zwarte bijen in Vlaanderen te houden. Conclusie: ja, ze produceerden (iets) minder honing dan de Carnicabijen die ik had, maar tegelijk waren ze even zachtaardig en ziekteresistent. Bijgevolg vervingen we de Carnica-koninginnen door zwarte koninginnen en breidden uit.

Ook vandaag nog zijn er veel imkers die denken dat de zwarte bij agressief is, tijdens demonstraties staan ze vaak vol verbijstering te kijken

In de daaropvolgende jaren deden we allerhande nieuwe ervaringen op, zoals dat zwarte bijen een sterkere verdedigingsdrang aan het vlieggat hebben of dat, in tegenstelling tot wat soms beweerd wordt, kruisingen van zwarte bijen met Carnica- of Buckfastbijen helemaal niet agressief zijn. De boeiendste ontdekking was echter ongetwijfeld dat de zwarte bij zich, omwille van haar trage voorjaarsontwikkeling en hoge zelfredzaamheid, uitstekend leent voor een extensieve imkerij waarbij men – mits enige ervaring – slechts maandelijks in plaats van wekelijks de bijenvolken hoeft te verstoren voor een inspectie.

Ons teeltmateriaal

Koninginnen (en hun bijenvolken) doorlopen een heel evaluatieproces voordat ze de onderscheiding Teeltkoningin in ontvangst mogen nemen. Omwille van de strenge selectiecriteria zal de meerderheid van de geëvalueerde koninginnen zelfs nooit die onderscheiding ontvangen. De uiteindelijke teeltkoninginnen zijn voor ons die koninginnen waarvan de volken uitblinken in veerkracht (overleven zonder enige Varroa-behandeling; hygiënisch en ziekte-resistentie) en gedrag (zachtaardig, raatvast en zwermtraag). Hiertoe werken we samen met andere selectietelers binnen teeltprogramma’s van Mellifica en ZwarteBij.org, en wordt gebruik gemaakt van verschillende diensten geleverd door Honeybee Valley (UGent).

Onderzoek naar Suppressed Mite Reproduction (SMR) en Recapping (REC) bij broed van een potentieel teeltvolk

Voor de aanparing van onze potentiële teeltkoninginnen reizen wij met bevruchtingskastjes naar de landbevruchtingsstations te Chimay (Mellifica) en Nationaal Park Bosland (ZwarteBij.org) of opteren wij voor KI (kunstmatige inseminatie). Wij houden zwarte bijen van zowel Chimay- en Texel-origine, deze lijnen worden echter niet gekruist met elkaar. De zuiverheid van het teeltmateriaal wordt gecontroleerd door analyse van het nucleair DNA m.b.v. 70 000 SNP-merkers, via darren én werksters. Zo trachten wij enkel kwalitatieve zwarte koninginnen en bijenvolken aan te bieden.

Van elke geëvalueerde koningin (natuurlijk bevrucht) laten wij het nucleair DNA van zowel een darrenpool als enkele individuele werksters testen. Scoren alle stalen 90% of meer2, beschouwen wij de koningin op vlak van genetische zuiverheid geschikt om van na te telen.

  1. De Buckfastbij is een kunstmatig geteeld hybrideras welk ontstaan is uit een kruising van de Italiaanse bij met de zwarte bij, waar achteraf nog diverse andere ondersoorten bij in werden gekruist. De initiële Buckfastbijen werden door Broeder Adam (Karl Kehrle) geteeld op Buckfast Abbey in Devon (Engeland). Het is niet geweten in welke mate de huidige Buckfastbijen nog verwant zijn aan die initiële Buckfastbijen, maar wereldwijd zijn er gemotiveerde imkers die de teeltfilosofie van Broeder Adam voortzetten. In België wordt de Buckfastbij hoofdzakelijk gehouden in Brussel en Wallonië, met uitzondering van enkele gebieden zoals Chimay en de Oostkantons. ↩︎
  2. Bij DNA-analyses geeft dit percentage de kans weer om een zwarte bij te zijn, het geeft niet rechtstreeks de genetische zuiverheid weer. De 90%-limiet wordt internationaal gehanteerd als ondergrens in kweekprogramma’s voor honingbijen. ↩︎